MANAGEMENT EN GEDRAGSVERANDERING

Jan den Boer

Essay: De stad is weer van zijn bewoners

essay

Jan den Boer kreeg voor onderstaand essay
een eervolle vermelding in de
Prijsvraag 2012 van het NRC,
in samenwerking met de Koninklijke
Academie van Wetenschappen,
onder de titel 'Van wie is de stad?' 

 

 


Gedurende lange tijd heeft een kleine groep deskundigen de vormgeving van onze steden bepaald. De macht was georganiseerd vanuit een soort politbureau. Architecten als Pi de Bruijn vertellen hoe moeilijk het was om zich hieruit los te maken. 

Onder invloed van de verschuiving van de bouwpraktijk naar de markt en vervolgens de kredietcrisis gaat de aandacht nu steeds meer naar de con sument. De bevolking die zich in moderne, functionele wijken vervreemd voelt van haar omgeving en die regelmatig niet serieus genomen wordt in prijsvragen en andere beoordelingen van ontwerpen, eist de stad weer voor zichzelf op. Een nieuwe lichting ontwerpers komt met strategieën en ontwerpen die daar steeds meer bij aansluiten.

madurodamIn 1980 ging ik stedenbouw studeren aan de TU Delft. Min of meer onbewust ging ik er vanuit dat de stad van de bewoners is. Toen ik eind jaren ’80 als projectmanager voor de gemeente Den Haag werkte, ontdekte ik dat ik in een wereld terecht gekomen was van deskundigen die er volledig van overtuigd waren dat zij het recht hadden om te bepalen hoe de stad zich ontwikkelde.
Een van mijn eerste projecten was de vernieuwing van Madurodam. Toen ik het project overnam lag er een strak functioneel plan van Zwarts en Jansma. Voor dit plan moest drie hectare van de Scheveningse bosjes gekapt worden. De bevolking was in opstand gekomen en ik mocht samen met een wethouder met de bevolking gaan praten.
Tot mijn verrassing had de bevolking al een alternatief plan, maar geen van mijn collega’s had tot dan toe de moeite genomen om zich daarin te verdiepen. Er leefden bij de bevolking en bij de directie van Madurodam ook andere ideeën over het uiterlijk van Madurodam, vormgeving die veel meer zou passen bij de toeristen. Maar bij gemeentelijk stedenbouwkundigen en welstand was daar niet al te veel ruimte voor.
Madurodam schreef een prijsvraag uit, en uiteindelijk werd gekozen voor een plan van Ashok Bhalotra, toen een van de weinige ontwerpers die zich buiten het dogmatisch modernisme durfde te bewegen. Binnen enkele jaren liepen we met koningin door het nieuwe Madurodam. Directie, bewoners en toeristen waren tevreden, maar voor zover ik weet heeft het geen enkel architectuurtijdschrift gehaald.
Hoe kan het dat veel deskundigen en ontwerpers een totaal andere mening hebben dan een groot deel van de bevolking over de kwaliteit van de stad? Hoe kan het dat deze deskundigen en ontwerpers de stad veroverd hebben?

Macht en onmacht van het modernisme


De architect Pi de Bruijn vertelde mij een fascinerend verhaal. De Bruijn werd in de jaren ’60 opgeleid in het dogmatisch modernisme, maar maakte zich hier later van los, onder meer door de nieuwbouw van de Tweede Kamer. Vanuit de modernistische visie waren de oude gebouwen vijanden die gesloopt moesten worden. De Bruijn: “De modernist denkt de hele dag: “Ik haat die oude troep”, ik had dit nog niet helemaal afgeschud, maar ontdekte dat oude gebouwen prima gebouwen zijn: een aha-ervaring.” Naarmate hij het gebied beter bestudeerde leerde hij deze gebouwen als een vriend te zien. Hij sloot zich een jaar af voor de wereld om zich heen en verdiepte zich helemaal in het ontwerp. Hij brak radicaal met de partijlijn van het modernisme. Dit Tweede Kamergebouw was niet alleen een belangrijke omslag in zijn persoonlijke ontwerpvisie, maar ook in de architectuurgeschiedenis van Nederland.
2ekamerHet gebouw kreeg grote bijval van het publiek en werd afgemaakt door het modernistische ‘politbureau’, onder meer bij monde van hun blad Archis. Die houding van collega’s en critici heeft hem wel geraakt, maar uiteindelijk heeft hij de kritiek ook wel als een soort geuzenhouding kunnen zien, hij had zich losgemaakt van de dogma’s om echt aan een vitale stad te kunnen gaan werken. Hij kreeg veel opdrachten waarin hij steeds meer vanuit de context ging werken en de vormentaal kon toepassen die daarbij passend was. Dat kon heel modernistisch zijn, zoals bij het positief ontvangen maar niet uitgevoerde ontwerp voor de Rijksdag in Berlijn, maar ook een fascinerende mix van stijlen zoals de heropbouw van Roombeek in Enschede onder zijn leiding.
De Bruijn zegt in het boek Bouwmeesters (Scipio, 2007) over het modernisme: “Het modernisme vind ik prima als het gaat om het ontwerp van een asbak of een sigarettendoosje, maar niet op de schaal van de stad. Een experiment op die schaal is waanzin en eigenlijk hadden we dat uit de studies van Le Corbusier al lang kun nen weten.” Volgens De Bruijn weten de modernisten zich geen raad met de bestaande stad. En dat wordt duidelijk als je het plan Voisin voor het centrum van Parijs van Le Corbusier ziet. Een voorstel om dit prachtige centrum te vervangen door een megalomane rij flats. Gelukkig is dit daar nooit gebeurd, maar de voorsteden van Parijs zijn natuurlijk wel mede hierdoor geïnspireerd evenals de Bijlmermeer en veel andere moderne architectuur in Nederland.
De Bruijn stelt dat het grootste probleem van het modernisme op stedenbouwkundig vlak ligt. De moderne stad met zijn functiescheiding is verleden tijd. Toepassing van die principes in deze tijd is een grote vergissing. Hoe kon dit in Nederland zo lang in stand blijven? De Bruijn: “De bouwkolom in Nederland is verkleefd, veel belangen gaan samen in een groot monsterverbond van bouwers, ontwikkelaars, architecten, ambtenaren, welstandscommissies en critici. Het resultaat is meestal voorspelbare eenheidsworst gebaseerd op het vage begrip haalbaarheid. Dat is vaak een vorm van terreur gebaseerd op drogredenen.” De Bruijn noemt deze machts basis van het modernisme een ‘politbureau’, verwijzend naar de manier waarop de macht in communistische staten gehandhaafd werd.

De tweedeling in onze steden

In de architectuur en stedenbouw is op veel terreinen een tweedeling: tussen modernisme en traditionalisme, tussen deskundigen en consument, tussen jury’s en welstand enerzijds en ‘populisten’ anderzijds. De tweedeling is niet alleen te vinden in boeken, tijdschriften, prijsvragen en discussies, maar vooral ook heel zichtbaar in onze steden, dorpen en landschappen. Er is veelal een duidelijke scheidslijn te zien tussen de traditionele historische kernen en de modernistische uitbreidingswijken. Op dezelfde manier is bijvoorbeeld duidelijk te zien welke landschappen door rigoureuze ruilverkaveling sterk zijn aangetast door het modernisme en waar traditionele kwaliteiten nog wel zichtbaar en voelbaar zijn. De tweedeling in de media en in onze ruimtelijk omgeving is een gevolg van een enorme kloof tussen de vakwereld van architecten, instituten en vakschrijvers enerzijds en de wereld van amateurs en leken die deze gebouwde wereld dagelijks bewonen en beleven anderzijds. De vakwereld spreekt een totaal andere taal, gebruikt andere woorden en komt dikwijls ook tot andere keuzes dan de gemiddelde consument. Deze tweedeling staat steeds meer ter discussie. Toen in de jaren ’90 de macht in de bouw verschoof van de overheid en de corporaties naar de ontwikkelaars, kreeg de consument steeds meer invloed. Dit proces wordt versterkt door de huidige crisis in de bouw. Er is een verschuiving van een aanbodmarkt naar een vraagmarkt, waardoor de machtsverhoudingen in de bouw sterk aan het veranderen zijn.
Om te begrijpen hoe dit machtsspel werkt in de bouw is het aller eerst belangrijk te analyseren welke verhalen hierin een rol spelen. Dat zijn met name de verhalen van het modernisme en het traditionalisme. Vervolgens is het interessant waarom het modernisme zo lang aan de macht kon blijven en hoe deze macht in de prak tijk zichtbaar werd, bijvoorbeeld in architectuurprijsvragen. Nu de macht van het modernisme aan het afnemen is, komt er ruimte voor nieuwe creativiteit en kwaliteit.
Hoe reageert de conservatieve architectuurelite hierop en welke nieuwe beweging wordt zichtbaar?

De modernistische revolutie

Het ontstaan van het modernisme is een belangrijke en funda mentele oorzaak van het ontstaan van de verschillende werelden in architectuur en stedenbouw. Het modernisme in de architectuur is een verwarrende term. In ons dagelijks spraakgebruik klinkt modern als iets nieuws. In de architectuur is het een stroming uit de eerste decennia van de vorige eeuw, die weliswaar de pretentie heeft om internationaal en tijdloos te zijn, maar net als elke stijl zijn eigen geschiedenis heeft.
Het inzicht dat de idealen van het modernisme in de praktijk de nodige problemen opleverden, werd zowel in de stedenbouw als in de landschapskunde regelmatig door critici onderkend en onderbouwd. Toch kreeg het modernisme met name in Nederland elke keer weer een belangrijke en beeldbepalende rol in het ontwerp van de gebouwde omgeving. Het modernisme was tot voor kort min of meer de norm voor alle architectuur en in de jaren ’90 van de vorige eeuw werd het zelfs opnieuw een hype. Grote namen als Rem Koolhaas, Ben van Berkel en Francine Houben werden belangrijke exportproducten en waren de grote voorbeelden voor vele architectuurstudenten.

Het consolideren van de macht

Hoe komt het dat het modernisme zo lang aan de macht kon blijven? Pi de Bruijn vertelt hoe architectuur in Nederland min of meer in een religieuze categorie terechtgekomen is. Net als het protestantisme na de reformatie in elkaar bestrijdende groepen uit elkaar ge vallen is, ontstonden ook in de architectuur groepen die elkaar naar het leven stonden. De betrokkenen hadden een enorme behoefte om aanhanger van een stijl of stroming te zijn, met een dogmatische houding die fundamentalistische trekken had. In de stedenbouw leidde het modernisme tot het rigide functionalisme met zijn strikte scheiding van functies.
Als je het taalgebruik van de modernisten onderzoekt, zie je dat ze een eigen verhaal hebben. Zij willen zich niet uitlaten over de gevel en het beeld, maar spreken over het ‘probleemoplossend vermogen van de architectuur’. Het gaat over processen en het ontwijken van stijldiscussies.
De macht van de modernisten is zo de uitkomst van een vrij ondoorzichtig en complex proces waarin de totale bouwkolom op basis van allerlei belangen en afwegingen elke keer weer op het zelfde gemakzuchtige functionele bouwen uitkwam. Dat bouwen werd onderbouwd met verhalen die niet over mooi of lelijk gaan, niet over gevoel voor schoonheid, maar over abstracte rationele proces- en beleidsverhalen. Wie niet meedeed, werd uitgesloten, zoals bijvoorbeeld in architectuurprijsvragen.

Macht in de praktijk

groningenArchitectuurprijsvragen zijn een bijzonder boeiend strijdperk voor de modernisme-traditionalisme discussie. Hier wordt de werking van de macht en de verhalen duidelijk zichtbaar. Een roemruchte prijsvraag was de Waagstraat-verkiezing in het hart van Groningen begin jaren ’90. Een van de vier deelnemende architecten was Aldolfo Natalini. Bij de architectenkeuze stond hij bekend als een avant-gardist (sterk vernieuwend, maar wel binnen het modernistische idioom) en dat was een belangrijke reden dat hij gekozen werd. Tot verrassing van de prijsvraagorganisatoren was Natalini intussen radicaal van architectonische koers veranderd en kwam met een bijzonder traditionalistisch ontwerp. Dit ontwerp is gebouwd als vervanging van een modernistisch jaren ’70 stadskantoor aan de Grote Markt. Binnen de vakwereld leidde dit tot grote weerstand, dit had nooit gebouwd mogen worden. Het publiek reageerde in het algemeen bijzonder enthousiast. Even was het weer een beetje hun stad, maar zo snel lieten de ontwerpers zich hun greep op de stad niet ontnemen.
In 2007 werd in Groningen opnieuw een architectuurprijsvraag gehouden voor een locatie nabij de Grote Markt. Verrassend was dat in dit geval zowel het publiek als de vakjury hetzelfde ontwerp kozen, van NL architects. Je kunt het ontwerp modernistisch noemen of misschien beter avant-gardistisch, maar het is zeker geen traditioneel ontwerp dat past in zijn historische omgeving. De keuze van het publiek wordt pas begrijpelijk bij het bestuderen van de andere zes deelnemende architecten. Alle zeven ontwerpen zijn modernistisch of avant-gardistisch. Het was het publiek gewoon niet vergund om voor traditionele architectuur te kiezen in deze historische omgeving. De voorselectie door deskundigen is hier dus veel bepalender dan de publieke keuze die dan ook slechts een schijnbare vrijheid biedt.
In hetzelfde jaar durfde Delft het wel aan om voor de bouw van het nieuwe station en stadskantoor naast drie moderne/avant-gardistische ontwerpen ook een traditionalistisch ontwerp van Sjoerd Soeters aan een selectiecommissie en de bevolking voor te leggen.
Bestuurders willen de bevolking die steeds meer van hun eigen stad vervreemd is de indruk geven dat ze die stad weer terugkrijgen, maar blijken zich vervolgens toch niet te kunnen onttrekken aan de macht van de ontwerpelite.
Door de selectiecommissie een weging van 75 procent mee te geven en het bevolkingspanel 25 procent, was de kans voor een keuze voor het traditionalistisch ontwerp van Soeters niet zo groot. Toch won Soeters, maar slechts met een zeer klein verschil. De gemeente Delft gebruikte dit kleine verschil als argument om de prijsvraag af te keuren en opnieuw te starten. Ondanks allerlei juridische procedures is het Soeters niet gelukt zijn gewonnen positie vast te houden en heeft uiteindelijk een avant-gardistisch ontwerp van Mecanoo/ Francine Houben gewonnen.
Zo lijkt het erop dat de wereld van de kenners vooral kiest voor modernisme, terwijl als de bevolking mee mag stemmen het traditionalisme veel sneller een voorkeur krijgt.

delft

Ruimte voor verandering

Maar er is iets aan het veranderen in Nederland. Steeds meer architecten, recensenten en deskundigen willen zich onttrekken aan de verzuurde discussie tussen traditionalisme en neo-modernisme. Ontwerpers hebben de afgelopen jaren gewerkt aan verbindende wijken en gebouwen, die een nieuw verhaal vertellen dat gaat over gevoel voor schoonheid, een vitale stad en liefde voor het vak. Dit zijn mensen die zich niet laten leiden door cynisme, macht of gemakzucht, maar gedreven zijn om iets moois te maken van hun vak. De crisis in de bouw vraagt om veranderingen. De tijd dat een kleine groep opdrachtgevers en ontwerpers in een aanbodgestuurde markt kon bepalen wat er gebouwd werd is voorbij. Er is meer aandacht voor de klant, voor de consument, voor nieuwe vormen van opdrachtgeverschap, voor kleinschaligheid en veelzijdigheid.
Het inzicht dat de modernistische stad een mislukking is, wordt breed gedeeld. Monofunctionaliteit en versnipperde openbare ruimtes met incidentele architectonische iconen creëren een autistische stad. De nieuwe stedenbouw is multifunctioneel, multicultu,reel, veelzijdig en gericht op verbinding van mensen en gebouwen. Deze vernieuwende stedenbouw en architectuur wordt niet meer primair gevoed door financiële belangen. Kwaliteit en menselijk geluk staan voorop, en die bieden de mogelijkheid om nieuwe vor men van financiering aan te boren. Om deze vernieuwingen ruimte te geven, is meer flexibiliteit nodig in regelgeving en openheid in media, prijsvragen, beoordelingen en voorlichting. Steeds meer lezingen, boeken, artikelen en projecten maken de vernieuwende stedenbouw en architectuur zichtbaar. Een van deze boeken is De Spontane Stad van Urhahn Urban Design. Het boek verzet zich tegen de ‘instant city’ zoals deze de afgelopen decennia gerealiseerd is. De schrijvers geloven dat de gebruiker nu aan zet is: co-ontwerp en co-productie. Dat past misschien niet in onze recente strakke planningstraditie, maar zou wel eens heel goed aan kunnen sluiten op de wijze waarop klassieke stedelijke kwaliteiten gerealiseerd werden, zoals de Amsterdamse grachtengordel en het Haagse Statenkwartier. Een collectief raamwerk van grachten en straten met heldere spelregels is genoeg, de rest kan de gebruiker zelf als bouwheer.

De stad is weer van zijn bewoners

Hoe organiseer je de architectuur binnen dit raamwerk en deze spelregels zo dat er maximale ruimte voor creativiteit en kwaliteit is? Wilfried van Winden geeft in zijn boek Fusion (Van Winden, 2010) een pleidooi voor sierlijke architectuur en een open samenleving. Volgens zijn visie is het modernisme conservatief geworden. Hij nodigt architecten uit om dienstbaar te zijn aan schoonheid en aan de gebruiker. Lange tijd werd de architectuurdiscussie gevoerd vanuit het idee dat het modernisme vooruitstrevend is en het traditionaisme populistisch of zelfs politiek extreem-rechts. In de huidige politieke context was dat voor de modernisten een nieuwe manier om het traditionalisme zwart te maken en hun eigen macht te kunnen handhaven. Wilfried van Winden geeft met zijn boek deze discussie een bijzonder interessante wending. Hij vertelt over het ontwerpproces van de Essalam Moskee in Rotterdam. Een traditionalistisch ontwerp, hoewel geen Nederlands traditionalisme. Het was juist Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam die zich verzette tegen de ornamenten en versieringen, en die voorstelde terug te keren naar een veel minder herkenbare moderne doos.

Dit is een van de vele voorbeelden die aangeeft dat het modernisme niet langer vernieuwend is. De modernistische architectuurelite is conservatief geworden en wordt nu soms zelfs omarmd door de politiek populisten. Terwijl architecten zoals Van Winden die het ver wijt van populisme krijgen juist pleiten voor een open samenleving en vernieuwing in stedenbouw en architectuur. Het grote probleem daarvan volgens Van Winden is dat het vraagstuk van stijl en expressie uit de architectuurdiscussie verdwenen is. Goede architectuur moet volgens de modernistische dogmatiek waar en eerlijk zijn, en wordt verbonden met het morele begrip van het goede. Onderwijs in stijl en expressie werd in het architectuuronderwijs vanaf de jaren ’60 afgeschaft.
zaanstadMaar dit monomane smaakdictaat van het modernisme is voorbij. En wat Van Winden betreft ook de weinig constructieve tegenstelling met het traditionalisme. In architectuur is veel meer mogelijk, en dat vat hij samen in de term Fusion: “Een inventieve menging van identiteiten, het verbinden van heden en verleden en van traditie en vernieuwing, van high en low culture en van romantiek met rationalisme. Verbindingen waarmee ontwerpen worden gemaakt die beantwoorden aan specifieke culturele en lokale gewoonten en wensen.” 
Deze stedenbouw en architectuur wordt op dit moment onder meer gerealiseerd in Zaanstad. Van Winden bouwde daar het Inntel-hotel in het stedenbouwkundig plan voor het nieuwe centrum van Sjoerd Soeters dat nu gerealiseerd wordt. Fusion is zowel herkenbaar als nieuw en verrassend, waarbij kenmerkende architectonische elementen uit het heden en verleden en uit verschillende culturen met elkaar in verband gebracht worden en tot een nieuwe expressie gebracht worden, met het doel gebouwen te maken waar mensen zich mee kunnen identificeren en die mensen kunnen behagen. Ornamenten, versiering, stijl en gevelarchitectuur, dit alles was veel te lang een taboe in de Nederlandse architectuur, het mag weer. En het is niet conservatief of populistisch, maar juist een streven naar een open samenleving waar schoonheid voor iedereen aanwezig en herkenbaar is. 

De stad wordt weer steeds meer van zijn bewoners.

Literatuur

Scipio, D.& S. Franke (red.), Bouwmeesters, het podium aan en generatie. Rotterdam: NAi, 2007
Urhahn Urban Design, De Spontane Stad, Amsterdam: Bis Publis hers, 2010
Wilfried van Winden, Fusion, Amsterdam: SUN