MANAGEMENT EN GEDRAGSVERANDERING

Jan den Boer

De toekomst is aan de verhalende architectuur

De derde weg

Dit essay van Jan den Boer werd eerder gepubliceerd in ArchitectuurNL #01 2010 

Wat zijn de ontwerpuitgangspunten voor de komende jaren? Steeds meer architecten onttrekken zich aan de tegenstelling tussen modernisme en traditionalisme. Niet alleen retro architecten ol Ashok Bha/atra, maar ook bijvoorbeeld Pi de Bruijn en Kees Christiaanse. Ze zoeken naar een architectuur die een betekenisvol verhaal vertelt dat verwijst naar traditionele én modernistische schoonheid en een verbinding zoekt met de bestaande omgeving. Architectuur die een herkenbaar verhaal vertelt en tegelijkertijd op een subtiele manier vernieuwend kan zijn.

Wat is de beste architectuur van het afgelopen jaar? Het is niet eenvoudig om daar een goed antwoord op te krijgen. Het Architectuur in Nederland Jaarboek 2008/2009 (1) heeft de pretentie het beste van de Nederlandse architectuur in de volle breedte te laten zien. Als je echter houdt van traditionalistische en retro architectuur, zul je ernstig teleurgesteld zijn door het boek, want dat komt hierin niet voor. Na lang zoeken ontdek je waarom. In een kort stukje nieuws over de maand februari staat dat de discussie over mooi en lelijk veel aandacht in de media krijgt, maar 'de architectuur vakpers zwijgt'. Verderop in het boek wordt erkend dat het Stimuleringsfonds voor de Architectuur (Sf A) alle voorgestelde publicaties op het gebied van historiserende architectuur afwijst, dus ook hier zwijgt de architectuurelite.

In het Jaarboek 2007/2008 (2) wordt op dezelfde manier in een paar zinnen het traditionalisme weggeschreven als een zogenaamde iconische architectuur die aan architecten opgedrongen wordt door bestuurders en opdrachtgevers, die daarmee 'de kopers willen verleiden en de politici of corporatie directeuren willen bevredigen’. Daarbij wordt de indruk gewekt dat een architect nooit uit zichzelf zich zal verlagen tot dit traditionalisme, maar hieraan toegeeft uit een soort machteloosheid ten opzichte van de eisen van de markt.

Verzonnen verleden

Wie zijn die 'machteloze' architecten die Nederland volbouwen met traditionele architectuur? Een voorbeeld van de machtsstrijd tussen de modernistische ontwerpers en de zogenaamde markt is Vreeswijk Noord (Nieuwegein), waar van een modernistisch plan van Claus en Kaan na één jaar slechts drie woningen verkocht waren. Een nieuw traditionalistisch plan van Molenaar & Van Winden deed het veel beter. Waar steden als Nieuwegein en Almere steeds hoog scoren op lelijkste steden van Nederland, is het goed dat er schoonheid gebouwd kan worden die je anders maar alleen maar in gerestaureerde oude kernen aantreft. Maar votgens de critici is het nep.

Korrie Besems maakte over deze 'nep architectuur' een prachtig fotoboek onder de naam Verzonnen verleden (3). Als je dit boek naast het eerdergenoemde Jaarboek legt, heb je ineens een veel completer beeld van de hedendaagse Nederlandse architectuur. De beelden zijn prachtig, maar de tekst is kritisch en cynisch. De beelden zouden een mengeling van afschuw en bewondering oproepen, volgens het begeleidende persbericht. Hoe de architectuurelite daarmee omgaat. wordt pijnlijk helder uit het verhaal van een Rijksadviseur die zelfs weigerde om de bus te verlaten bij een bezoek aan het traditionalistische plan Haverleij bij Den Bosch van Sjoerd Soeters.

Bernard Huisman beschrijft in het boek Verzonnen verleden hoe een ontwikkelaar, Frank van Genne, zich verzet tegen wat hij noemt 'de terreur van het modernisme’. Het boek schetst daarmee nog steeds een grote kloof tussen het elitaire modernisme en het traditionalisme voor de consument. Huisman vat hel traditionele onderscheid tussen modernisme en traditionalisme samen als 'fuck the context' of 'fuck the Zeitgeist.' De modernisten pretenderen volgens de tijdgeest te bouwen, de neotraditionalisten bouwen een identiteit binnen een context.

Maar het is de vraag of die tijdgeest nog wel zo modernistisch is. Er worden intussen al dikke boeken geschreven over het modernisme als geschiedenis, zoals door de eminente historicus Peter Gay (4). Hij plaatst de dood van het modernisme in de jaren '60 van de vorige eeuw. Het oorspronkelijk modernisme van de jaren '20 van de vorige eeuw was vernieuwend met een streven naar eerlijkheid en eenvoud en beroemde deviezen als 'Minder is meer' (Mies van de Rohe) en 'Vorm volgt functie' (Louis Sullivan).

Dit modernisme was ooit non-conformistisch, maar is intussen conformistisch geworden - je moet als architect modernistisch zijn om er bij te horen - en is daarmee nog erger dan conformistisch classicisme, omdat het zichzelf daarmee zo duidelijk tegenspreekt.

Als onze architectuurelite dan misschien niet meer zo'n goede voeling heeft met de tijdgeest, roept dat twee belangrijke vragen op. De eerste vraag gaat over de invulling van onze historische binnensteden. Dikwijls wordt een modernistische invulling doorgedrukt, terwijl het de vraag is hoeveel van dit modernisme een historische binnenstad kan hebben. De tweede vraag is of er een architectuur mogelijk is die de tegenstelling, zoals ondermeer door Bernard Hulsman beschreven is, kan overwinnen.

Hoeveel modernisme verdraagt een historische binnenstad?

essay3Door het lang gehanteerde taboe op historiserend bouwen zijn in veel historische binnensteden lege plekken opgevuld met modernistische gebouwen, en klassieke monumenten uitgebreid met modernistische uitbouwen. Een interessant voorbeeld is de recente uitbreiding van de Stadsschouwburg in Amsterdam. Volgens veel betrokkenen bij dit plan is deze uitbreiding een succes. Het Leidseplein was aan het verloederen, en de Amsterdamse binnenstad heeft cultuurplekken zoals de Stadsschouwburg hard nodig om weer balans krijgen in de bezoekers. De architect, Jim Klinkhamer, heeft een uitgebreide studie gedaan naar de eerdere transformaties in dit deel van de Amsterdamse binnenstad en vindt dat zijn ontwerp past in de sterke dynamiek.

Maar deze rode doos wijkt wel heel sterk af van de omgeving, en is zowel vanaf het Leidseplein als vanaf de Lijnbaansgrachl een grote inbreuk op de meer traditionalistische omgeving.

essay5Dat een modernistische invulling ook op een subtielere manier ingepast kan worden, is te zien bij het nieuwe muziektheater van Jan Hoogstad in Enschede. De moderne architectuur contrasteert met de oude bebouwing aan de overkant, terwijl schuin ertegenover een muziekcentrum staat uit de jaren '60, uitgevoerd in wat saaie witte steen. Tegenover de ingang staat een, eveneens vrij saai, bakstenen appartementencomplex. Het goede van het muziektheater is, dat aansluiting gezocht is bij het klassieke stratenpatroon. Dat voorkomt dat het weer een op zichzelf staand incident is dat geen contact aangaat met zijn omgeving.

essay4Eén van de bekendste voorbeelden van een modernistische invulling in een beroemde klassieke omgeving zijn de piramides van Pei op het binnenterrein van het Louvre in Parijs. Het zijn weliswaar de typisch modernistische materialen staal en glas, maar tegelijkertijd is gekozen voor een ultieme klassieke vorm, de piramide. Wanneer gekozen wordt voor een modernistische invulling zonder enige relatie aan te gaan met de omgeving (zoals bij de Amsterdamse Stadsschouwburg), is de kans groot dat je de kwaliteit van de historische omgeving kapotmaakt. Door een interessante mix te zoeken van klassiek en modern, is het mogelijk vernieuwend te bouwen en toch aansluiting te vinden bij de historische stad.

De derde weg in de architectuur

Veel architecten zijn op zoek naar een nieuwe vorm van architectuur - soms de Derde Weg genoemd - die de klassieke tegenstelling tussen modernisme en traditionalisme overstijgt. Zells het NAi heeft hieraan een publicatie gewijd, waarin het benoemd wordt als slow design, in navolging op andere slow bewegingen zoals slow food (5).

In dit boek Tangible Traces wordt Onix opgevoerd als een bureau dat een verbinding zoekt tussen moderne en traditionele elementen onder de naam Dirty Regionalism. Ze gebruiken traditionele materialen, maar wijzen nog wel in navolging van het modernisme niet noodzakelijke constructies en ornamenten af. Ze hebben dit in hun statement Dogma vastgelegd.

essay2Ook andere architectenbureaus zijn op zoek naar verbindingen tussen nieuw en oud. Een architect als Kees Christiaanse, die ooit werkte bij Rem Koolhaas' OMA, zegt dat hij genoeg heeft van de autistische moderne stad. Zijn plan voor de Hafencity in Hamburg is volgens hem een terugkeer naar de stedenbouwkundige principes van de middeleeuwse stad: compacte stad, verbindingen tussen wijken en tegelijkertijd een kleinschalige concentratie van etniciteit, zonder dat het te veel wordt afgesloten van de omgeving. Functiemenging, diversiteit in schaal en typologieën, zorgvuldige overgang publiek-privaat, ogen op straat, multidirectioneel en geen hiërarchie in mobiliteit. Zo'n middeleeuwse stad heeft volgens Christiaanse een grote opnamecapaciteit voor veranderingen. Interessant is daarbij dat volgens
Christiaanse de verhouding tussen footprint en openbare ruimte 60/40 moet zijn in plaats van de 40/60 in veel moderne stadsde!en. Christiaanse kiest binnen dit klassieke stedenbouwkundig patroon wel voor een modernistische architectonische vormgeving. Geen retro in Hafencity (6).

Een andere voormalige voorvechter van het modernisme die ooit aan de wieg stond van de Bijlmermeer, Pi de Bruijn, laat met het plan voor Roombeek in Enschede zien dat je zowel op stedenbouwkundig als architectonisch gebied op een hele knappe manier kunt spelen met verschillende ontwerpideeën, en dat modernistisch, traditioneel en allerlei tussenvormen uitstekend mei elkaar verweven kunnen worden. Ton van Snellenbeek, programmamanager bij het projectbureau Roombeek beschrijft 'de geboorte van een nieuw model voor stadsontwikkeling’ (7). De betrokken stedenbouwkundige van dit plan, Joost van den Hoek, beschrijft Roombeek als de voorbode van een nieuwe modus operandi in de ruimtelijke ordening, als fase volgend op de vervinexing van Nederland. Hij vat dit model samen in zeven punten: de historie als onderlegger, kleinschalig initiatief als vertrekpunt, een heldere hoofdstructuur als basis voor de invulling, openbare ruimte eerst, consistente typologie van het bouwblok, menging van functies en ruimtelijke samenhang door beeldregie. Dat staat vrij dicht bij het verhaal van Kees Christiaanse. Zowel Hafencity als Roombeek vertellen een verhaal dat aansluit bij bestaande verhalen en op een subtiele manier toch ook weer vernieuwend is.

De toekomst is aan de verhalende stedenbouw en architectuur

Het is deze verhalende stedenbouw en architectuur die de mogelijkheden biedt voor een doorvoeld ontwerp dat niet blijft steken in clichés als modernisme en traditionalisme en zich niet richt op een soort elitaire conceptuele kunst. Steeds meer architecten proberen op hun manier een bijdrage te leveren aan een nieuwe toekomst van onze gebouwde omgeving. Na de periodes van eenvormig modernisme en vervolgens de Vinex met een grotere diversiteit, ontstaat er nu een nieuwe periode van stedenbouw waarvoor de uitgangspunten nog nauwelijks geformuleerd zijn. Duidelijk is dat er meer in de binnensteden gebouwd moet worden en de uitleg gebieden beter aan moeten sluiten op de bestaande dorpen en steden. De nieuwe stedenbouw en architectuur zullen meer dan de afgelopen jaren een verhaal moeten vertellen dat aansluit bij de bestaande omgeving, aansluit bij de wensen van bewoners en tegelijkertijd ontwerpers de kans geeft om te vernieuwen. Maar dan wel vernieuwen vanuit kennis van alle klassiekers: traditioneel, modern, derde weg en alle andere denkbare ontwerpen.

Maarten Min van het bureau Min2 bouw-kunst werkt al 25 jaar aan het verhalende in de architectuur. Hij publiceerde dit jaar een stripboek waarin hij de strijd die dit opleverde verbeeldt (8). Een van de strips start als volgt: 'Eenmalige uitleg over het bijzondere VERHALENDE aspect in de werken van Min2: dit is een absolute doodzonde in de architectuur en de kunst. De beelden die nu volgen kunnen als zeer SCHOKKEND ervaren worden.' De 25 korte inleidingen in het boek maken duidelijk dat intussen steeds meer architecten kiezen voor deze verhalende architectuur. Ashok Bhalotra is natuurlijk ook een van de verhalende architecten van het eerste uur. En Jurgen van der Ploeg van FARO architecten schrijft bewonderend dat Maarten Min pas afgelopen jaren de wind in de rug krijgt.

Min en met hem vele andere vernieuwers houden niet van etiketten. Ze zijn op zoek naar het geven van identiteit, betekenis en expressie in gebouwen. Zij realiseren zich echter wel, dat deze nieuwe stroming in de architectuur ook een naam, een podium en een tijdschrift nodig heeft om zich te kunnen profileren. Het typerende van de nieuwe stroming is dat deze architecten een verhaal vertellen dat herkenbaar is, een historische basis heeft en op een subtiele manier vernieuwend is. Daardoor geven ze betekenis aan de gebouwde omgeving die interessant en herkenbaar is zowel voor de deskundige als voor de bewoner en consument. De toekomst is aan deze verhalende architectuur.

Noten

(1) Daan Bakker e.a. Architectuur in Nederland, jaarboek 2007/08, NAi uitgevers, Rotterdam, 2008.

(2) Samir Bantal e.a. Architectuur in Nederland, jaarboek 2008/09, NAi uitgevers, Rotterdam, 2009.

(3) Korrie Besems. Verzonnen verleden, Episode Publishers, Roilerdam, 2009.

(4) Peter Gay. Het modernisme, de schok der vernieuwing. Ambo - Anthos, Amsterdam, 2007.

(5) Linda Vlassenrood. Tangible Traces, Dutch architecture and design in Ihe making. NAi uitgevers, Rotterdam, 2009

(6) Lezing Kees Christiaanse voor de gemeente Utrecht, 30 maart 2009.

(7) Ruud Brouwers e.a. Pi de Bruijn, Engagement + stedebouw. Prototype Editions, Delft, 2008.

(8) Maarten en Jetty Min. Een Auto-biografie, een kanon op de architectuur' canon, uitgeverij ATU MIN2, Bergen, 2009.